Hitsige tante en kalende oom

Hitsige tante en kalende oom
Zondag, 23 april 2006
Rond een uur of 8 ’s avonds
De deur vliegt open en een jubilerend echtpaar stapt overdreven opgewekt onder het uitdelen van miljoenen handkusjes tenenkrommend verliefd de feestzaal binnen. Aangetrouwde tante heeft voor haar 35jarige trouwdag een schandalig kort jurkje aan wat nog minder vierkante centimeters als haar leeftijd telt en voelt zich geiler dan ooit tevoren. Oom biljartbal loopt als een kwijlende jonge hond achter zijn strakgetrokken vrouw aan en ontvangt trots de priemende blikken van genodigden die de gelifte boezem van zijn eigenste keutje uitlokken. Zo nu en dan valt er een glas of overig serviesgoed op de vloer en overrijpe tante laat dan met een ultrasoon gilletje horen hoe erg ze er van schrikt, terwijl ze van schrik giechelend tegen beschonken feestgangers aanspringt. Daarna buldert een wild dansend biervat met een lauwe schuimkraag steevast “hola meisje!” in de hoop zijn harige pens tegen haar veel te ronde memmen aan te kunnen drukken. Vervolgens begint tante dan in volle hysterie te hinniken en daagt ze de onbekende pens ondeugend uit voor een rare vorm van tikkertje. Met soepstengels.
Met lede ogen zie ik toe hoe mijn oom een schunnige opmerking over een triootje maakt en hoe hij mijn tante een speelse tik op haar billen geeft. Vadertje Tijd is genadeloos en oom tikt dan ook tegen een leeg stuk uitgezakt vel gevuld met taai vlees. Met grote ogen kijkt mijn vriendje naar het vulgaire schouwspel en slaat zijn drankje in één teug achterover. Kokhalzend draait hij zich weg wanneer belegen tante met haar getuite Botox lippen slagroom van andermans vingers af begint te likken, zo gretig dat het lijkt alsof ze de schade van jarenlang vunstekort in wil halen. ‘In het geval dat we dit willen voorkomen, hebben we nog ruim 35 jaar om dit gedrag eruit te seksen.’ fluistert mijn vriend.
En ik trek een wenkbrauw op en laat een boer.

Een beter milieu...

Een beter milieu…
Vrijdag, 21 april 2006
In de file om 9.00.
Dit is irritant. De chemisch vrolijke man genaamd Benno achter het stuur doet, iedere keer als er beweging in de kilometers blik komt, de motor aan en uit. Om ons heen kijken medeweggebruikers me raar aan en ik schaam me dood. Uit pure geldnood wordt men zowel creatief als wanhopig in oplossingen en daar zit ik dan, bij gebrek aan luxe en om geld uit te sparen, op de achterbank van een bespottelijk roestige rammelbak. In de file. Ik ben aan het liften en ik zal maar eerlijk zijn; ik kan bij het ochtendkrieken barslecht tegen mensen die niet in dezelfde stemming als mij verkeren en deze goede man is schijnbaar op de piek van zijn dag. ‘Je kunt net zo goed de motor steeds aan en uit doen, in plaats van de motor te laten lopen. Het kost net zoveel brandstof.’ ratelt het olijke kwastje triomfantelijk klaarblijkelijk tegen de binnenspiegel en de versnellingspook, omdat ik in ieder geval niet luister. Hij draait de sleutel langs het contact, geeft een dotje gas en draait de motor weer uit. Tevreden en milieubewust kijkt hij door alle mogelijke spiegels en ramen naar de andere automobilisten en ik sla geïrriteerd mijn hand voor mijn ogen. De file duurt. En duurt. En de man praat. En praat. Ik kijk op mijn horloge en concludeer zuchtend dat ik te laat kom op mijn bemiddelingsgesprek bij het CWI. Groene vriend Benno staat in dubio of hij misschien ook zijn lampen aan en uit moet doen om zo de accu te sparen. Hij besluit ze ook uit te doen, tot grote kwelling van de Volkswagen voor ons, die nu constant knipperende koplampen in zijn spiegels heeft. Ik geef het op, bedank de man en besluit de overige zes blokken te lopen. En anders, ach, mijn rokje is kort en de mannen happig.

Voetbalfan

Voetbalfan
Donderdag, 20 april 2006
Rond 22.00 na de wedstrijd.
Een enorme opgezwollen wenkbrauw doet hem op Quasimodo lijken. Diepdonkerblauwe bloeduitstortingen vormen vreemdsoortige schaduwen van zijn wimpers op zijn ooglid. De met korstige schaafwonden en slechts een dun laagje huid bedekte ader op zijn wenkbrauw doet zijn best te blijven kloppen onder de centimeters weeïg ruikende  modder. Hijgend van inspanning met victorie in zijn voetbalbroekzak loopt mijn vriendje naar de tribune waar ik braaf toekijk hoe hij iedere bal onder het uitstoten van onontcijferbare grondtonen uit het doel houdt. Zijn zweet gutst als een stromende rivier van zijn voorhoofd naar zijn kin, vermengd met de wereld aan grasmatflora en een keur aan fluim van tegenstanders. En natuurlijk had ik die utopische redding gezien en natuurlijk zag ik hoe de immense knieschijf van de middenvelder genadeloos zijn voorhoofd verbrijzelde. En boven dat alles had ik vanzelfsprekend gezien dat hij geen kik had gegeven. Eenmaal thuis klopt hij met woeste bewegingen het gras van zijn keeperhandschoenen, gooit hij zijn met testosteron doordrenkte voetbalshirt inclusief een drassig boeket aan grassprieten uiteraard naast de wasmand en ruikt hij goedkeurend aan zijn zweetklieren die overduidelijk overuren hebben gedraaid. Het mannelijke aan zijn gespierde armen wordt jammerlijk weggenomen door het feit dat zijn blauwe oog een bijzondere trendy kleur paars aan begint te nemen en dat de wond zich bizar genoeg met de precisie van make-up om zijn ooglid heeft gevormd. Op zijn aandringen prijs ik nogmaals mijn afgematte wederhelft voor zijn geweldenaardaden in de goal en tevreden zakt hij zonder zich te hebben gedoucht met een biertje achterover op de bank, tot mijn grote afgrijzen met zijn welriekende voeten op de salontafel. Daar zit hij dan, mijn stoere voetbalheld met een scheefzakkende wenkbrauw en een opgemaakt oog. Na anderhalf uur voetbal ziet mijn vriend er uit als een hybride tussen een Picasso en David Bowie. Maar wat is hij lief, hè?

Gij zult door het stof kruipen

Gij zult door het stof kruipen
Woensdag, 19 april 2006
18.08
Is het nog relevant, vraagt de goedgeluimde pion van de economie aan de andere kant van de lijn. Is uw aanvraag voor een uitkering nog relevant. Uw dossier was zoekgeraakt tussen al onze veel te hoge salarisstrookjes en bonussen zonder reden, maar het leek ons wel zo sympathiek te vragen of u nog steeds belang heeft bij een uitkering.
Even kijken; de afgelopen maanden heb ik mij na onfortuinlijke mot met mijn huichelachtige ex-baas voornamelijk als een parasiet op de studiefinanciering van mijn metgezel vastgezogen. Met hangende pootjes kruip ik keer op keer in mijn meest uitdagende lingerie met de zoveelste aanmaning tussen mijn tanden op handen en knieën naar hem toe terwijl ik mijn met incassobrieven opgevulde pushupbeha fier vooruitsteek. Zo sexy mogelijk lik ik met mijn roodgestifte lippen langs de gele acceptgiro’s en zwoel laat ik hem een belastingenvelop tussen mijn kanten slipje vandaan trekken. Nog voor ik mijn trucje met de gerechtsdeurwaarderbrief en mijn adembenemende lenigheid kan uitvoeren, ligt hij al gretig loerend en gewilliger dan ooit op bed. En natuurlijk wil hij de rekeningen wel betalen. Zegt hij gehypnotiseerd. En na de seks schuiven we voldaan aan tafel, ik omdat de hectares aan rekeningen weer worden betaald, hij omdat hij als doorgewinterde man seks en eten nou eenmaal een gouden combinatie vindt. De gehaktschotels maak ik aan met hondenvoer, de borden worden bij gebrek aan daadwerkelijke borden uit karton geknipt van dozen die we gratis bij de supermarkt halen en voor het idee garneer ik mijn toetjes met gesuikerde takjes van de dennenboom van vorig jaar die nu tevens dienst doet als wasrek. Maar of het nog relevant is? Vraag dat maar aan de deurwaarder morgen. Half elf komt hem schijnbaar het beste uit. 

Geoorloofd slipje

Geoorloofd slipje
Dinsdag, 18 april 2006
9.55

Het comfort van een stad en de kneuterigheid van een dorp. Op elke straathoek en op ieder pleintje staan donateurwervers strategisch opgesteld en vormen bewust een menselijke fuik van irritatie. Een dagelijks terugkomend beeld daar ik bij overdaad aan vrije tijd in mijn oneindige verveling en met een beestachtig ochtendhumeur vrijwel iedere dag door het bruisend hart van mijn woonplaats slenter. Ik, mijn twee euro vijfentwintig en de meereizende motten in mijn beurs. Omdat het ronduit ongehoord is om als vrouw zonder geld uit te geven ten strijde te trekken tegen koopjesbakken vol afprijsbeukers en spotgoedkope etalagecollecties, ben ik vastbesloten mijn laatste bijstandsoortjes te versnoepen aan o zo fijne meevallers. Maar met het verschil dat ik mezelf deze keer opdraag er tegelijkertijd een nuttige uitgave van te maken. Ook zonder baan moet je jezelf als zelfbewuste doch straatarme mid -midlifer doelen blijven stellen, en dus tijg ik naar de dichtstbijzijnde winkel waar ik uit ervaring weet dat er geen geforceerd lachende verkoopster als een trutje uit een doosje achter de toonbank vandaan komt veren. Mijn oog valt op een afgrijselijk mooi, donkergrijs slipje met twee babyroze lintjes op de zijkanten. Nuttig, want ik heb nieuw ondergoed nodig. En nuttig, want vriend vindt het toch ook mooi? Het prijskaartje, een sticker groter dan de drie draadjes stof waar de string uit bestaat, trekt me over de streep en voldaan stap ik met het niemendalletje de winkel uit. Blij been ik met grote stappen huiswaarts. Honend snuif ik tevreden dat ik mijn geld heus niet alleen maar aan prullaria uitgeef en met leedvermaak verheug ik me er al op de overwinning voor alle vrouwen aan mijn mannelijke man te vertellen.

Ik lach want, ach, een beetje voor eigen God spelen is in sommige gevallen best geoorloofd.

Baldadige twintiger

Baldadige twintiger
Maandag, 17 april 2006  
9.38
Of ik in een slagerij wil uitbenen. Het hippe montuur tegenover mij
dwingt mij streng instemmend te knikken en slaafs pak ik de vacature aan. Ruggenwervels verwijderen, vleespulp in darmpjes draaien, kippenhartjes in porties van 100 gram verzamelen. Het verdient goed en bovendien houd je er een hele hoop weetjes over vlees aan over, vindt de zure vrouw tegenover mij. Ik forceer een lachje en beloof zo snel mogelijk op de baan te reageren. En dit was vanmorgen, want het was weer maandag. 
Ik toeter voor een stel vroegrijpe eersteklassers dat druk converserend met elkaar voor mijn auto langs krioelt. Als mieren zigzaggen ze door elkaar heen en als kippen zonder kop kakelen ze over joints en seks. Het stoplicht brandt een ongeduldig groen en in gedachten vervloek ik het opgedofte vee voor mij dat mij inmiddels frontaal aan het bumperkleven is. Ook het feit dat de optrekkwaliteiten van mijn kwakkelend koekblik op sterven na dood zijn en ik al een halve minuut de delicate balans tussen optrekken en het afslaan van de motor probeer te behouden, laat mij nog eens toeteren en ik krijg een middelvinger met een gelakte gelnagel als antwoord. Vervolgens draait de hele gekloonde kolonie Fergie’s zich om en ordinair kauwend beginnen ze misprijzend richting mijn ruit te blaten. Niet dat ik het hoor, ik bedoel, er bestaat gewoonweg geen voorwerp dat mijn uitlaat overstemt, zelfs geen baldadige tieners in te strakke broeken en te gouden teenslippertjes. Dus ik geef gas, laat de zee van minderjarige jaknikkers splijten en draai het parkeerterrein van het CWI op, waar ik mijn laatste eurocenten zuchtend in de parkeermeter stop. En dit was vanmorgen, want het is weer maandag en ik kan het me als nummer in de werklozenmachine simpelweg niet veroorloven de baldadige twintiger uit te hangen.